Broedvogelinventarisatie De Gavers

Het provinciaal Domein De Gavers te Harelbeke-Deerlijk werd jaarlijks op broedvogels geïnventariseerd door NWG De Gavers in de periode 1981-2000. De Vogelwerkgroep nam de draad van inventariseren weer op tijdens de periode 2003-2007. Vanaf 2008 het wordt gebied niet meer volledig geïnventariseerd, een volgende volledige inventarisatie is nog niet gepland (wegens tijdsgebrek en de ingrijpende werken in het domein).

Het gebied is zo'n 200 ha groot, met een waterplas van bijna 60 ha. Het landschap is de afgelopen 30 jaar sterk veranderd, van een open landschap met ruigtes naar een meer gesloten parklandschap.

De gebruikte inventarisatiemethode is de uitgebreide territoriumkartering. Het gebied is in daarvoor in 10 vakken opgedeeld. Om een zo goed mogelijk beeld te verkrijgen van de broedvogelpopulaties worden gedurende de periode maart-juli per vak een 8-tal inventarisatierondes gehouden die telkens het gehele vak bestrijken (bij voorkeur in de vroege ochtend). Voor de territoriale soorten (vooral zangvogels) worden telkens zingende mannetjes in kaart gebracht. Bij de minder territoriale soorten worden koppels en/of nesten geteld. . Alle nuttige waarnemingen worden per inventarisatiedag op kaart verzameld en dan overgezet op een kaart per soort, zo kunnen de territoria afgebakend worden. Deze resultaten kunnen bovendien nog verder aangevuld worden door verschillende bruikbare losse waarnemingen.

Resultaten

In De Gavers kwamen reeds 91 vogelsoorten tot broeden (tot 2008). Hieronder volgt een overzicht.

Dodaars : Na een incidenteel broedgeval in 1982, jaarlijkse broedvogel sinds 1995 en lijkt recent wat toe te nemen (2 à 4 koppels de voorbije jaren)

Fuut : Jaarlijkse broedvogel, broedkolonie was op zijn hoogtepunt in 2004 (33 koppels), daarna een duidelijke terugval

Woudaap : Na een broedgeval in de jaren '70, opnieuw vrijwel jaarlijkse broedvogel sedert 1996 (1 koppel)

Blauwe Reiger : Jaarlijkse broedvogel, broedkolonie die na enkele zachte winters nu vrij stabiel is met ongeveer 75 koppels.

Knobbelzwaan : Jaarlijkse broedvogel (1 à 2 koppels)

Canadese Gans : Sedert 1994 jaarlijkse broedvogel in toenemend aantal (tot 6 koppels)

Nijlgans : Jaarlijkse broedvogel sedert 2004, in 2007 reeds 3 broedgevallen

Bergeend : Eerste zeker broedgeval in 2007

Wilde Eend : Jaarlijkse broedvogel, geleidelijk dalend in aantal (van 25-tal koppels in jaren '80 tot 15-tal nu)

Tafeleend : Incidentele broedvogel (1985 en 2005)

Kuifeend : Jaarlijkse broedvogel sinds 1983 (tot 4 koppels)

Buizerd : Jaarlijkse broedvogel sinds 2004 (1 koppel)

Sperwer : Jaarlijkse broedvogel sinds 1994 (tot 3 koppels in 2006)

Torenvalk : Jaarlijkse broedvogel (2 à 3 koppels)

Boomvalk : Jaarlijkse broedvogel (1 koppel)

Patrijs : tot begin de jaren '90 broedend met 4 koppels, laatste broedgeval begin jaren '00

Fazant : Jaarlijkse broedvogel met een 30-tal koppels

Waterral : Vrijwel jaarlijkse broedvogel sinds 1991 (1 koppel)

Waterhoen : Jaarlijkse broedvogel met een 20-tal koppels

Meerkoet : Jaarlijkse broedvogel, sterk in aantal toegenomen (10-tal koppels begin jaren '80 tot 40 koppels in 2006)

Kievit : Verdwenen als broedvogel, in de jaren '80 een 3-tal koppels, laatste broedgeval begin jaren '00

Houtsnip : Incidentele broedvogel (1985)

Holenduif : Jaarlijkse broedvogel met een 10-tal koppels

Houtduif : Jaarlijkse broedvogel, sterk toegenomen, van 5 koppels begin jaren '80 tot 93 koppels in 2006

Turkse Tortel : Jaarlijkse broedvogel, van 1 koppel begin jaren '80 tot een 15-tal koppels nu (laatste jaren stabiel)

Zomertortel : Had een piek rond 1990 (17 koppels), daarna sterk afgenomen en laatste jaren onregelmatig broedend (1 koppel)

Koekoek : Jaarlijks 1 à 3 territoria

Steenuil : Jaarlijkse broedvogel met 2 à 3 koppels

Ransuil : Jaarlijkse broedvogel met 1 à 4 koppels

Ijsvogel : Sedert 1994 vrijwel jaarlijks broedend ( 1 koppel)

Groene Specht : Sedert 1995 jaarlijks broedend, in stijgende aantal, voorbije jaren een 4-tal koppels

Grote Bonte Specht : Jaarlijkse broedvogel, in stijgend aantal, van een 3-tal koppels begin jaren '80 tot 15 koppels in 2006

Kleine Bonte Specht : Jaarlijkse broedvogel (1 à 2 koppels)

Veldleeuwerik : Verdwenen als broedvogel, van 18 koppels in 1981 tot 1 koppel in 1994

Oeverzwaluw : Verdwenen als broedvogel, broedkolonie tot 1997 (12 koppels)

Boerenzwaluw : Jaarlijkse broedvogel, een 10-tal koppels tot 2003, voorbije jaren sterk afnemend

Boompieper : Incidentele broedvogel (1991 en 1992, 2 koppels)

Graspieper : Verdwenen als broedvogel, een 10-tal koppels begin jaren '80, laatste broedgeval halfweg jaren '90

Gele Kwikstaart : Verdwenen als broedvogel (1 à 3 koppels) sinds eind jaren '90

Witte Kwikstaart : Jaarlijkse broedvogel (5 koppels in 1983, voorbije jaren maar 1 koppel)

Winterkoning : Jaarlijkse broedvogel, sterk toegenomen van 29 koppels in 1981 tot 146 koppels in 2003 (daarna lichte terugval)

Heggenmus : Jaarlijkse broedvogel, sterk toegenomen van 8 koppels in 1983 tot 47 koppels in 2003 (daarna lichte terugval)

Roodborst : Jaarlijkse broedvogel, eerste broedgeval pas in 1988, daarna sterk toegenomen tot 59 koppels in 2005

Nachtegaal : bereikte een piek in 1987 met 8 koppels, daarna afgenomen, laatste jaren een onregelmatige broedvogel (1 à 2 koppels)

Blauwborst : Onregelmatige broedvogel sinds 1984 (1 koppel)

Zwarte Roodstaart : Onregelmatige broedvogel (1 koppel)

Gekraagde Roodstaart : Verdwenen broedvogel, periode 1989-1997 (1 à 2 koppels)

Roodborsttapuit : Verdwenen broedvogel, 4 koppels in 1981, laatste broedgeval in 1995

Merel : Jaarlijkse broedvogel, sterk toegenomen van 20 koppels in 1983 tot een 80-tal koppels laatste jaren

Kramsvogel : Verdwenen broedvogel, periode 1984-1990 (1 koppel)

Zanglijster : Jaarlijkse broedvogel met een 20-tal koppels

Grote Lijster : Jaarlijkse broedvogel (3 à 5 koppels)

Cetti's Zanger : eerste vaste territorium tijdens het broedseizoen in 2007

Sprinkhaanzanger : Onregelmatige broedvogel, vrijwel jaarlijks 1982-1999 (1 à 3 koppels), en een broedgeval in 2007

Rietzanger : Jaarlijkse broedvogel (1 à 2 koppels)

Bosrietzanger : Jaarlijkse broedvogel, sterk afgenomen van 25 koppels in 1981 tot 7 koppels in 2006

Kleine Karekiet : Jaarlijkse broedvogel, sterk toegenomen van 6 koppels in 1981 tot 50 koppels in 2005 (daarna lichte terugval)

Spotvogel : Jaarlijkse broedvogel, met een piek in 1987 (15 koppels), daarna sterk afgenomen, de voorbije jaren 1 à 2 koppels

Orpheusspotvogel : Incidentele broedvogel (1988)

Braamsluiper : Jaarlijkse broedvogel (1 à 3 koppels)

Grasmus : Jaarlijkse broedvogel, een piek in 1987 met 26 koppels, daarna sterk afgenomen tot 3 koppels in 2006

Tuinfluiter : Jaarlijkse broedvogel, een piek in 1990 met 31 koppels, daarna afgenomen tot 13 koppels in 2006

Zwartkop : Jaarlijkse broedvogel, sterk toegenomen van 6 koppels in 1981 tot 89 koppels in 2004 (daarna lichte terugval)

Tjiftjaf : Jaarlijkse broedvogel, sterk toegenomen van 10 koppels in 1981 tot 73 koppels in 2004 (daarna terugval)

Fitis : Jaarlijkse broedvogel, toegenomen van 5 koppels in 1981 tot een 30-tal koppels in de jaren '90, daarna terugval tot 8 koppels in 2005

Goudhaan : Jaarlijkse broedvogel sinds 2000 (1 à 2 koppels)

Grauwe Vliegenvanger : Onregelmatige broedvogel (1 koppel)

Staartmees : Broedvogel sinds 1989, in toenemend aantal tot 14 koppels in 2005

Matkop : Jaarlijkse broedvogel, nam toe van 4 koppels in 1983 tot 13 koppels in 1998, daarna sterke terugval tot 2 koppels in 2006

Pimpelmees : Jaarlijkse broedvogel, toegenomen van 11 koppels in 1983 tot 39 koppels in 2006

Koolmees : Jaarlijkse broedvogel, toegenomen van 12 koppels in 1983 tot 56 koppels in 2006

Boomklever : Broedvogel sinds 2004 (1 à 2 koppels), maar in 2007 weer verdwenen

Boomkruiper : Jaarlijkse broedvogel met een 6-tal koppels

Wielewaal : Van jaarlijkse broedvogel met 4 koppels begin jaren '80 tot onregelmatige broedvogel de voorbije jaren

Gaai : Jaarlijkse broedvogel sinds 1988, sterk toegenomen tot 15 koppels in 2006

Ekster : Jaarlijkse broedvogel, van 8 koppels in 1983 tot 25 koppels in 2005

Kauw : Jaarlijkse broedvogel sinds 1998 (1 à 3 koppels)

Roek : Jaarlijkse broedvogel sinds 1993, tot 22 koppels in 2006

Zwarte Kraai : Jaarlijkse broedvogel (vrij constant met 3 à 5 koppels)

Spreeuw : Jaarlijkse broedvogel (vrij constant met een 25-tal koppels, 37 in 2006)

Huismus : Jaarlijkse broedvogel, 40 koppels in 2003, daarna geleidelijke afname

Ringmus : Jaarlijkse broedvogel, een piek in 1993 (26 koppels), daarna afname tot 1 koppel in 2006

Vink : Jaarlijkse broedvogel (2 à 8 koppels, sterk wisselend)

Europese Kanarie : Incidentele broedvogel (1987)

Groenling : Jaarlijkse broedvogel (2 à 4 koppels)

Putter : Onregelmatige broedvogel (1 à 2 koppels)

Kneu : Vroeger jaarlijkse broedvogel (2 à 3 koppels tot jaren '90), nu onregelmatige broedvogel

Goudvink : Incidentele broedvogel (1986)

Appelvink : Onregelmatige broedvogel (1 koppel)

Rietgors: Jaarlijkse broedvogel, afgenomen van 15 koppels in 1983 tot 2 koppels in 1999, voorbije jaren terug wat toegenomen (4 à 7 koppels)

Grauwe Gors : Verdwenen broedvogel, 6 koppels in 1981, laatste broedgeval in 1989

 

Verder werden nog mogelijke broedgevallen genoteerd van Krakeend, Slobeend, Zomertaling, Witoogeend, Kleine Plevier, Bosuil, Grote Gele Kwikstaart en Vuurgoudhaan